— ....Haar oogen aan jou af te staan....
— Ach kom! ....Ach kom! zei Joep, nog altijd aan ’n fumisterie denkend.
— Je hoeft me niet te gelooven, meneer — je krijgt ’r dadelijk zelf te zien — ze is hiernaast....
— Wie?....
— Dat verpleegstertje van je....
— Loek! Loek?....
— Dat zal wel — ’r naam heb ’k niet gevraagd....
— Heeft die zich aangeboden — om — om... Daar moest-ie bij gaan zitten — daar begon de wereld bij te draaien.
— Die wou met geweld met je oversteken, meneer....
— En heb je dat gedaan, meneer? viel Joep driftig uit.
— Ja, meneer....
— Dus dan is Loek — dan is Loek.... hakkelde Joep.
— Blind...., zei de Prof bot: en pro forma
— uitsluitend voor den vorm heb ’k ’r ’n paar niet zeer deugdelijke oogen, die ’k nog in voorraad had, maar die waarschijnlijk geen sikkepit deugen ingezet....
— Op je eerewoord? — Lieg je niet! zei Joep, hijgend opstaand.
154