alles van z’n vleesch en kleertjes ontdaan — straten vol geraamten, meneer — stoepen met zich verdringende geraamten, meneer — enkel knokels, kinnebakken, doodskoppen, grijnzende gebitten — enkel ske-letpaarden, meneer — honden van rugge-graat en botjes — vogels van mergpijp en kootjes, meneer!.... Daar heb ik me ’n dag en ’n nacht mee vermaakt.... ’k Zag precies wat ze in d’r beurzen hadden.... ’t Was ’n levend kerkhof, ’n makabere optocht, ’n anatomische maskerade,’n marionettenspul van magere Heinen en niet van mekaar te onderscheiden clowns!.... En geestig als dat door mekaar krielend skeletten-gedoe was, meneer! In hóóge mate amusant! Ze dachten allemaal, de een al harder dan de ander, de een al zekerder dan de ander, dat ze lééfden! Als je ’n knokel-collectie met zwarte metaalstippen en ’n zwarte metaal-lijn opzij, met in maat gaande beenen, zag bewegen, kon je wetenschappelijk-zeker gissen, dat ’t ’n soldaat of ’n politie-agent was. De grootste moeite had je de vrouwen van de mannen apart te houden — alleen de donkere, van de hoofden afstaande zwarte plekjes, waar oorknoppen en diamantjes zaten, maakten ’t ’n beetje mak
149