de wild-brandende zon in, de zon die losbandig de groene boomtoppen schroeide, de zon die de oogen, die ze op ’t punt was te offeren, grimmig pijnlijk dee steken: goed.... als hij ziét.... mag-ie weten dat ’t de mijne zijn, zooals-ie ’t van de dieren wist....
— Als ’k jou eerder had gekend, zei de Prof, had ’k je ’n ringetje aan elk van je vingers gestoken.... En avant!
Glimlachend ging-ie ’r voor in de studeerkamer. Daar drong-ie nog ’ns aan of ze wou. Daar deed-ie ’t zelfde als destijds met Joep — onder de watten met chloroform raakte ze *r bewustzijn kwijt.
En met den eersten teederen glimlach op z’n gezicht sinds jaren, druppelde-ie ’r langzaam-tellend de medicijn-druppels in de oogholten, die ’r de komende weken kunstmatig-blind zouden maken. Dat vréémde schepseltje voor goed in ’t duister zetten — daar dacht-ie geen duizendste seconde aan.
Toen, norsch, ongeduldig, ging-ie naar de auto, schreeuwde Joep wakker.
En terwijl ’t verpleegstertje naastan in diepste bewusteloosheid lei, nam-ie den patiënt voor de derde maal onder handen.
146