— ’k Heb ’m ’n jaar verpleegd.
— Nonsens!.... Denk ’r niet aan!” zei-ie kwaadaardig: dat zou ’k niet doen als je z’n vrouw was. En dan — hóudt de ezel van jou?
— Nee — we denken geen van twee aan wat ü denkt — van houden bij hem óf bij mij is geen sprake — geen sprake....
— Zoo — zoo, zei-ie nijdig, voor zijn doen zonderling opgewonden: en als — als — versta me wel: als ik de nonsens uithaal, om jouw voortreffelijke oogen in zijn léég hoofd te enten — mag hij ’t weten?
— Nee, schrikte ze: dat mag-ie juist niet!
— Even liep-ie in nadenken — toen kwam ’r 'n lichten in z’n oogen — of-ie moeite had niet te lachen.
— Ik doe ’t, zei-ie nijdigjes: als ik ’t ’m na de operatie zeggen mag — en anders doe ik ’t beslist niet....
— Waarom staat u ’r op?, vroeg ze.
— Omdat ’k jou niet als blinde aan je lot over wil laten, redeneerde-ie: wanneer-ie ’t na de enting hoort, zal-ie voor je dienen te zórgen, wat? Of wou je met ’n bedelnap langs de huizen gaan, hè?....
— Goed, zij ze, voor zich uitstarend, recht
145