— Zachies wat, smeekte ze wit van schrik door z’n groven uitval.
Ze gingen de auto langs — nog sliep Joep
— maar ’t leek of de geopende paarde-oogen ’r fixeerden....
— Als je ’m met geweld niet meer zien wil, praatte de Prof ingehouden: hoef je toch waarachtig niet zulke dolle middelen te gebruiken! Met jouw oogen in z’n hoofd wordt-ie de vijand van zichzelf èn van jou! ’k Vergeef ’m de kateroogen nóg niet.... Nee!
— Wat ü ’r achter zoekt, bestaat niet, sprak ze weifelend.
— Jawel. Nonsens. Over je verliefdheid kom je heen — je ben jong genoeg, schepsel!
— Ik ben niet verliefd — in de verste verte niet....
— Dan ben je zeldzaam-ontoerekenbaar, zei-ie stevig.
— Ik hecht niet zoo héél veel aan ’t leven, praatte ze, afwezig: ’s nachts als niemand me ziet, voel ’k me dikwijls ’t gelukkigst
— ’k heb nog nooit gebeden of ’k vond troost....
— Heb jij ’r ’n flauw besef van wat blindheid is?,vroeg-iesnauwend: nee natuurlijk! Hoe kom je dan op je misdadigen inval?
144