m i s c h e n weg leven had willen verwekken, aan 5m voorbijgegaan, dat-ie zelf snapte.
— Omdat.... omdat, aarzelde ze....: omdat ’k dat prèttig voor hem zou vinden.
— Larie — nonsens, definieerde hij kiesch.
— ....Misschien zal ’k me ook gelukkig voelen — als ’k n i e t zie, zei ze — en omdat ’r stem raar dee, begon de geleerde te begrijpen.
— Jij bent driekwart idioot, gromde-ie, uit plots wellende sympathie nijdig z’n arm terugtrekkend: de lummel is geen van jouw wimperhaartjes waard....
— Dat kan ik beter beoordeelen, Professor, zei ze zachter pratend, nu ze dicht bij de auto kwamen: en in elk geval of-ie ’t waard is of niet — ik zou ’m graag gelukkig zien — en voor u is ’t ’n wetenschappelijke proefneming.... Ja?.... Ja?
— Nee, zei-ie onaangenaam hard — zoo hard, dat Joep in de auto gaapte of-ie wakker werd: „nee en nog ’ns néé! In de eerste plaats is ’t abnormaal-onwetenschappelijk om ’n man door vróuwe-oogen te laten kijken — in de tweede en voornaamste plaats: lijk jij me door je verkikkerd zijn op dat mensch ongelukkig genoeg!....
143