’k, ’n middel om u ’n béétje te verzoenen.
— Zoo, gromde de Prof, de wenkbrauwen zoo nijdig fronsend dat ze als reuzesprieten van z’n voorhoofd weken: ’k ben naar je middel absoluut niet nieuwsgierig — absoluut niet — rij maar weer gerust met je auto en je onbetrouwbaren patiënt weg, juffrouw!....
— Dat zal ’k over ’n paar uur, als u klaar is, bleef ze glimlachen: meneer heeft me óók verteld, dat u ’r naar snakt, om ’n levend m e n s c h met gezonde oogen te ontdekken, die bereid is....
Verrast stond-ie stil, de jonge pleegzuster met z’n afwijkende, ongelijke pupillen be-starend.
— Kom!, zei-ie stug: ....ik heb geen tijd — en ’k hou niet van nonsens!
Even liepen ze zwijgend. Z’n plompe onverzorgde schoenen gingen naast haar gelakte spitsjes. De hond, naar buiten geschoten, blafte vroolijk, zwiepte in z’n uitgelatenheid stofwolken uit den door de laaiende zon gedorden grond. In de gele, bestoven blaren stoeiden musschen — de kiezelsteentjes praatten onder hun voeten — de papegaaien keven met schorre schreeuwen.
— Als ü ’t aandurft — en ’t zéker lukt, zei
141