zei Loek gedecideerd: meneer heeft me alles van uw proefnemingen verteld....
— Jawel.... Jawel, glimlachte de geleerde onprettig — hij was ’n paar jaartjes te oud, om zich te laten, beetnemen—’n eerewoord verbrak geen gentleman, en Joep vertrouw-de-ie volkomen.
— Ik weet van de katte-oogen, van de paarde-oogen...., wilde zij vervolgen.
— Zoo, beet hij bevend van drift af: zoozoo! Uitstekend! Wat ’n uitgezóchte gemeenheid! Wat ’n infame kerrel! En denkt u dat ’k zoo’n individu nog eens zal helpen?.... Niet voor al ’t goud van de wereld.... Dat is ’t toppunt!”
De ouwe kop met ’t rimpelig verschrompeld vel was paars geworden — de aeren stuipten of ze ’t gelaat uit wilden, en omdat de wilde-wingerd-baard met z’n half-bruine, half-roode herfst-tinten’t onbeminnelijk geheel met vinnige pieken omlijstte, was ’t bij z’n heftigen uit val — ongerekend ’t eene blauwe en ’t eene zwarte oog — waarachtig om bang te worden.
Loek glimlachte.
— U is grappig, zei ze gemoedelijk: en ’k had dien allergeweldigsten uitbrander ’n beetje berekend.... Gelukkig heb ’k, geloof
140