Loek den geneesheer fluisterend uit: en de onverwachte dood van ’n kindje van den huisbewaarder schijnt-ie zich èrg te hebben aangetrokken.
— Zoo, zei de geleerde kwalijk-gehu-meurd, omdat-ie de verpleegster te woord moest staan — en in zonderlinge verlegenheid, ’t praten met vrouwen sinds jaren ontwend, plukte-ie met wriemelende vingers ergens in de buurt van z’n rooien pluis-baard, zonder de stoppelhaartjes te pakken te krijgen.
— Laten wij twee ’n oogenblikje met elkaar praten, begon Loek, langs de grasbanden op wandelend: praten vóór meneer wakker wordt — zoo’n gunstige gelegenheid vinden we geen tweede maal....
— Ik hou heelemaal niet van praten, antwoordde de Prof gezellig:.... ’k zal zoo vrij zijn meneer....
— Dat kunt u straks doen, hield Loek ’m tegen — ’m belettend Joep wakker te maken: ....ik móét met u spreken.
— Moet.... Moet.... Moet...., verweerde de ander zich met ingehouden wrok: dan móét u maar 5ns terugkomen, hè? — ’k heb geen seconde te missen....
’k Zal niét terugkomen — en we praten nu,
139