zij de eeuwigheids-minuten bij ’t kinder-sterfbedje door-jammerend — had zij de grauwe verdoemenis van ’t eindelooze doo-de-donker uit ’n versteend handje tot zich gezogen — had zij uren, razende uren op en neer geloopen — in ’n ander lévend, popelend donker — met herinneringen aan jeugd, zonlicht, groen — met ’n tandenknarsend verzet tegen ’n dood in dién bees-tigen vorm — had zij ’r hersens gebeuld in gevraag, getast, gevloek, ge-smart naar alle kanten?....
— Ik kan nu niéts, nièmendal hooren! viel-ie uit — en de werking der spieren op ’t gelaat, waarin de lichtenis der grootste vreugde ontbrak, was afschuwelijk: „laat me met rust! En zorg dat de auto voorkomt!
’r Geluid, ’t in z’n buurt weten van ’r gezondheid, 5r door niets vertroebeld evenwicht — alles haatte-ie in dat oogen-blik.
— Goed, zei ze prikkelend-geduldig: dan rijd ik mee.
— Nee!, riep-ie ’r fel na: ik ga alléén!
137