— Zou u niet gaan rusten, zei ze: ’t is acht uur.
— Dat weet ’k, weet ’k, antwoordde-ie: ’k heb de klok alle kwartieren hooren slaan.
— Toe, ga u slapen.
— Nee — ’k ben niet moe. Laat Johan met de auto voorkomen.
— Rijdt u zóó vroeg uit? En zonder gerust te hebben?
— ’k Ga nog ééns naar dien kerel, sprak-ie nerveus — goddank eindelijk stond-ie stil. Dichtbij ’r leunde-ie met de vuisten op tafel. Z’n gezicht was bleek — de goedige oogen van den hit leken door de zwarte kringen triestig-vergroot. In ’t haar aan z’n slapen had de nacht z’n angsten geslagen. Zonder dat-ie den naam had genoemd, begreep ze.
— U heeft gezegd, sprak ze aarzelend: dat u ’t nooit meer — nooit meer zou toelaten....
— Ja, ja, knikte-ie: dat heb ’k....
— U berustte.... wou ze redeneer en — ré-denééren, lieve God, in zijn stemming van wanhoop op-’t-krankzinnige-af — rede-neeren, troosten, met makkelijke aanloopjes en tamme woordjes overtuigen.... Had
136