De ramen had-ie wijd opengeschoven — de geluiden van den zomerschen nacht drongen zoet-zangerig binnen — de vreemde, mysterieuze geluiden van takken, blaren, vogels, krekels en wat je niet thuis brengen kon — de geluiden van de oneindigheid, die zich van eeuw in eeuw voor ieder herhaalden — de geluiden die tot mil-lioenen eenzamen hadden gesproken. Telkens z’n sigaret door ’t open venster werpend, en langs den behangselwand ’n vasthou zoekend tot-ie den deurpost bereikt had, stak-ie den breeden korridor over, met z’n voet langs de opdikkende lijn van den looper schuivend.
In den deurkier der logeerkamer vroeg-ie dan fluisterend: „En?”, en Loek’s even zoo fluisterende stem antwoordde ’n geruststelling, die-ie niet geloofde.
Weer met z’n voet langs den looperrand, de tastende handen in zegening vooruit, als aarzelde-ie naar de slaapkamer terug, en bij de smeuling van ’n versche sigaret, be-luisterde-ie opnieuw de ontzaglijke, beangstigende geluiden der Rust — die bereid was ’t kind te ontvangen.
De klok met ’r zachte gong-slagen, had-ie stil gezet, om geen tijd te hooren.
131