En toen ze daar, in den loop van dien avond,’n voorzichtige toespeling op maakte, repliceerde-ie met ’n sneer, dat-ie na de oogen van den kater en na die van den hit voor variatie ook even,,innerlijk”mocht kijken.
Stemming, alles stemming.
’n Paar dagen later had-ie weer ’n grimmige bui, speelde-ie op, omdat de kinderen lawaai schopten, had-ie geen lust uit te gaan, bleef-ie als ’n gevangene in de cel van z’n werkkamertje rusteloos heen en weer stappen.
Georgette en ’r mama, die ’m kwamen bezoeken, ’m met teleurgestelde stemmen over de „instorting” van z’n oogen zaten te beklagen, gaf-ie onhebbelijke replieken, snauwde-ie ’t huis uit.
’t Geruisch van de zijden rokken, de gitten loovertjes, ’t telkens meepraten van blouse, handschoenen en jacquet, de valsche, onechte gevoeligheid der twee vrouwen, met ’t getrappel der wachtende paarden op ’t voorplein — prikkelden ’m, drongen ’m jnet satansch geweld de buitenwereld, die-ie in die paar dagen vergeten was, de buitenwereld met ’r jool, ’r kleuren, ’r afwis
127