En de komende dagen, als ’n herstellende na afbeulende koortsvisioenen, bleef-ie in die evenwichtige stemming,zich in z’n donker, zonder grenzen en zonder tastbare wezens, met ’n groeiende berusting verheugend.
’s Morgens vroeg al, hernam-ie met Loek de oude wandelingen in den tuin, en als ’t kind wóu — als ’r speelkameraadjes ’r ’n niet te groote afleiding waren — nam-ie Netje van den huisbewaarder aan z’n hand mee. Wanneer dat kleine stemmetje, dat stemmetje met z’n klanken uit ’n andere wereld, dat stemmetje dat bij ’t licht van den dag behoorde, naast ’m> zilverde, had-ie oogen-blikken van zoo superbe tevredenheid, als-ie tot in z’n beste oogenblikken niet had gekend.
Zelfs als ze drensde, om weer als dien avond, dien wonderbaarlijken avond, in den moestuin met appelen te spelen, en Loek, bang voor de herinneringen, ’r geduld verloor, praatte hij met den genoege-lijken, beminnelijken toon van ’n vader, nooit genoeg van dat geluid, dat kindergeluid met z’n blijdschapjes, z’n tyranniek dwingen, z’n onstuimigheden, z’n droom-vragen krijgend.
I 22