had, ravotten ’n paar jongens.
De felle stemmen klaroenden tegen de huis-wanden op — ’t gelach en geschetter vond weerslag in de koele, strakke koepeling van den hemel.
Dat en ’t rumoerend gerucht der boomblaren, die met ’t opstekend windje vochten, nog lustiger, uitgelatener dan de kinderen, nog wilder en zomernacht-dronkener — dat en’t razend gevoel van onmacht,’t zich naar alle kanten verlaten, vereenzaamd weten, telkens weer in ’n anderen nood-lotsvorm gesmakt — scheurden, rauwden de tranen uit z’n afgebeulde oogen.
O, ’t was ’n genót zóo in je eentje, zonder ’n troostwoord, zonder ’n gelóóven-in-troost, zonder gedachte aan iets of iemand je krankzinnige ellende uit te snikken. Tusschen z’n vingers kropen ze, drongen ze, gretigden ze — de heete, vermaledijde tranen, die je met je geboorte mee waren gegeven — als ’n erbarmelijke saterspot voor hopelooze momenten van smart.
Als ze ’t licht van de; angst-oogen roof den, ’m opnieuw den rustigen nacht gaven — des te beter — beter ’n nacht zonder iéts dan de dag in zulken waanzinnig-maken-den schijn....
119