nuttiger zijn — vindt u niet?
Weer met de handen voor de oogen, duizelig door den storm der dingen in de kamer, antwoordde-ie niet. Z’n slapen klopten — de beelden in de camera-obscura van z’n hoofd hotsten onstuimig-verklit, werden ’n helsche obsessie.
— Toen u niet zag, overtuigde ze, had ik ’n taak, niet waar.... Maar nu — nu is u geen zieke meer....
Plots woest de handen van de oogen rukkend, stond-ie op.
— ’k Hou u niet tegen, zei-ie, de stoelleuning wankelend besteunend: maar als ’k zóo blijf zien, word ’k gek, gèk!
Verschrikt was ze opgesprongen — hij, over de wijde ruiten van den parketvloer heen-haastend, vreesachtig voor de ontzetting der voorwerpen wijkend, was de eetzaal al uit, en in de donkerte der studeerkamer, kreunend en hijgend, wrong-ie de handen, den wonderdokter en de paarde-oogen vervloekend — de oogen die-ie enkel bij ’t spel der kinderen had vergeten. Buiten in de schemering van den zwoelen zomeravond, niet door de ouders teruggeroepen, omdat ze ’t móchten, omdat meneer zelf ’r plezier in gekregen en getoond
118