VIJFDE KAPITTEL
HET VERLOSSENDE DONKER
Aan tafel, bij Loek’s teeder-zachte gebaren — en bij de nijpender verwildering der doodelijke vermoeidheid aanzwiepende nachtmerrievormen, bij ’t vlammend ge-fontein der zilveren koloslepels en -vorken, bij de gierende aanzwelling van borden, glazen en dekschalen, bij den vijver der soepterrein en de bacchantische pudding, lei-ie herhaaldelijk de handen voor de niet-te-sluiten oogen, om niet gefolterd te worden, niet in stuipende aarzeling mis te tasten.
Terwijl ze ’n peer als ’n vergroeide olifantstand met *r marmeren standbeeld-handen schilde en de schil-slinger de proporties van ’n slang aannam, begon ze met ’m te praten — stem, die ’t jeugd-timbre van Netje bewaard leek te hebben.
— Ik wou, glimlachte ze gedwongen, ’r bord toe: tenminste als u’r niet tegen heeft
— morgen of overmorgen m’n koffertje pakken.... U is door ’n wonder-van-God zoo verbazend genezen, dat u mij niet langer noodig heeft.... Bij anderen kan ’k licht
117