Joep de knoestige hoofden der vrouwen, de bullekoppen der groote jongens.
Ze stieten bijna de haren aan de geweldig-massieve, zwak-gebogen balken, wier gevaarte als ’n dompende last scheen te drukken.
Alles in de lage sousterrain-verdieping, met ’r uitgeslagen schimmelhoeken, ’r schaduw-kluiten, ’r kerker-stemming, ’r kilheid, ’r weren van zon en daglicht, deed ’m pijnlijk aan.
Als-ie in z’n buien van ziekte èn gezondheid tegen ’t ingehouden gespeel der kinderen geketterd, gevloekt had, had-ie dikwijls haastig-vluchtende kindervoetjes, ergerlijke, hinderlijke, je prikkelende voetjes gehoord. Die hadden dan hier, in de zonnigste dagen, ’n donkeren schuilhoek gevonden.
Hij, in z’n luxe-appartementen, bij z’n prachtig uitzicht, z’n electrische kronen en slaapkamer-paleis — zij, tevreden, hier — met z’n vijven in één donkere alkoof.
Dat zat ’m plots dwars. Dat hinderde ’m. Zonder valsche of sentimetiteele besluiping, zonder verwijt over wat-ie normaal vond, keek-ie met de irriteerende sensatie toe, dat-ie als vijand van die menschen z’n eer
114