geen spektakel make voor de blinde meneer boven, hoor....
’t Dek van ’n verfonfaaiden lap gladde ze met genegenheidshandjes, en nog eens achter de gesloten alkoofdeuren riep ze de poppen toe:.... Nou daaaag!.... Nou daaaag!.... Lekker slaapies doen, hoor-ie?....
— Slaapt Netje daar ook? vroeg Joep, den stoel van balken en latten dichter naar de afdaktafel schuivend.
— Wij met z’n allen, antwoordde de moeder opgelucht, nu ze ’r vrachtje bij ’t gekijk in de alkoof, onder de tafel had kunnen verstoppen.
— Met z’n allen — met z’n allen?, herhaalde Joep: met z’n hoevelen?
— Me man en ik slapen met Net in de bedstee en me twee jonges op de grond, wat jonges?.... En dat gaat best, wat jonges?
— ’t Leek ’r zoo vochtig — en dan met z’n vijven...., dacht Joep hardop.
— Nou vochentig is ’t ’r — dat valt niet tegen te strije — maar enkel voor de nacht hindert niks — as je slaapt merk je toch niemendal, redeneerde de vrouw tegen ’r smijdig, kwaadsprekend gekakel van as-ze-met-’r-man-alleen-was in.
Bij de geluwe massa der lampe-kap zag
ii3