toe of ’t z’n eigen was....
— Wil jij me kindere nou is zien?, vroeg de kleuter, afleiding bezorgend.
— Graag! lachte Joep.
— Nou dan mot jij zachies loope, hoor-ie? Anders worre ze wakker enne dan mot ik de heele nacht met ze rondtobbe, babbelde ’t meisje, de werkelijkheid der omgeving in ’r droom-fantasie omzettend.
— Je mag meneer niet met jij aanspreken, maande de vrouw: dat weet je ommers, Net....
— Jij jij maar zooveel als je wil, suste Joep, en aan de hand van de kostelijke vrouw, de in ’r kinderfantasie gebarende, liep-ie mee naar de donkere alkoof, ’n benauwde alkoof met door vocht beslagen behangselpapier, waar vlak bij de deur twee verha-vende poppen, met gebarsten hoofden en geprutste ledematen op ’n van ouwe lappen geïmproviseerd bedje leien.
— Zijn dat je kinderen, Net?, vroeg-ie, zich over de monsters, de als panopticum-wassebeelden zoo groote gedrochten, buigend.
— Ja, dat benne me kindere, praatte de kleuter-stem met oude-wijfjes-accenten: enne nou zoet slaapies doen, hoor — enne