Alleen had moeder nog net de tegenwoordigheid van geest ’n schotel met eompro-mitteerende etenszaken onder ’r voorschoot tusschen ’r knieën te steken.
— Goeien avond, zei Joep: ik breng je je groote dochter terug....
— O — dank u wel, meneer, hakkelde de vrouw, en in ’r verbouwereerdheid stond ze met ’n kop als ’n boei op, met ’r handen en de schaal onder ’t opbuilend voorschoot geen raad wetend.
Als-ie de laatste brokken van ’t gemoerd konijn in de spiezen kreeg, was ze d’r gloeiend bij....
— Geef meneer ’n stoel, Christiaan, zei ze toen, de van confuusheid trillende duimen nog dieper in de saus krimpend.
En in de stilte van weerszijde, stotterden de stoelpooten over ’t versleten zeiltje.
— Laat ik u niet storen.... glimlachte Joep, die wel iets van de situatie begreep — ’t grijpend gebaar bij z’n binnenkomen was ’m allerminst ontgaan:.... ’k blijf maar één oogenblik. Die dochter van je is ’n buitengewone schat — buitengewoon!
— Ja, ja, knikte de vrouw — goddank weer neerzittend! — ’t vet kostte ’r minstens d’r bovenrok! — en ’r geel-kaduke