eenvoud, leek ze ’m met dat kind op ’r schoot — ’n moeder-madonna.
Tot de schemer de kinderen bang voor de schaduwen tusschen de boomen, banger nog voor de ruige, zich tegen ieder geluid, iedere stem, aan-norschende echo, dee worden, speelde-ie met ze.
Toen bracht-ie z’n liefste vriendin, de vijfjarige meid van den huisbewaarder — die met de blauwe oogen en ’t goud-blond haar, met wie-ie ’t eerst had gesproken, en die zich toen achter de anderen verschool
— zelf naar ’r moeder terug.
Angstiger dan ’r kameraadjes, was ze ’t laatste half uur niet van ’m af te slaan geweest.
Vertrouwelijk-sekuur op z’n knie, ’n moppig handje om z’n hals, had ze ’m met ’r teere mysterie-oogen, waarvan de gespannen pupillen ’t purper-verschuilend vuur van ’n laten avond-zonnebrand schenen door te laten, zitten bedroomen.
Ze had ’m met goddelijk-leuke jij’s en jou’s van ’r poppen, die ze eiken nacht zélf in bed stopte — enne die niet meer huilden
— enne die niet van de suiker snoepten — enne die niet met lucifers speelden — enne
108