— Hoe heb ik ’t met jullie? vroeg-ie met ’n geluid dat niet bij hem scheen te behoo-ren: durft niemand ’n mond open te doen? Nog zwegen ze.
— Wie is de oudste? hield-ie vriendelijk aan.
— Ik, zei de rakker van den koetsier — en tegelijk keek-ie z’n speelmaats verlegenlachend aan: ikke....
— Zoo — en hoe heet je?
— Jan....
— Enkel Jan?
— Jan van Ommen — zooas me vader,
hè?....
Dat laatste, met minder schroom beweerd, dee de achterste meisjes — lieve hemel: die blonde, breede gezonde vróuwen! — met niet in te houden falset-proestlachjes gie-gelen.
— Ik wed — Jan van Ommen, zei Joep, den kindertoon pakkend: ik wed dat jij niet in den grooten appelboom in den moestuin durft klauteren, om appelen af te schudden....
— Nee — dat durf ’k niet, praatte de pracht-man dadelijk: we maggen niet in den moestuin....
— Voor wie niet?
104