— Nou — voor u niet, lachte ’t jongske, wéér met aanbiddelijke oogen-van-raad-pleging naar de anderen omkijkend: vader zou me beurs en rot slaan....
— Beurs èn rot?, lachte Joep — z’n eerste luchtige, vroolijke lach.
— Nee — we maggen niet achter de schutting, zei ’n meisje, die ’r zusje knuistje aan knuistje vasthield.
— Vandaag mogen jullie alles, zei Joep met krankzinnig-vochtige oogen — de tranen liepen komiek langs z’n nus — kon ’m niets, niemendal schelen — hij had met de kinders kunnen dansen! — : vandaag doe ’k zelf mee! Vooruit....
De serre-deuren smeet-ie open en z’n nachtmerrie één moment vergetend holde-ie vooraan en ’t geklikklak der klompjes rammelde als ’n roffel van castagnetten over de tegels van ’t plein.
Uit de sousterrain-vensters, uit de keuken en zijgebouwramen staken de huisbedienden, de koetsiers, de meiden, de tuiniers de meer dan geblufte hoofden.
En terwijl meneer als ’n jongen zoo vlug en zoo uitgelaten ’t hek van den moestuin opensmeet, zelf in ’n appelboom probeerde te klimmen,keken ze mekaar dood-ernstig aan.
105