Voor ’t eerst sinds z’n jaren van zelfgenoegzaamheid en enkel ik-bestaan — voor ’t eerst als heer van ’t kleine domein, werd-ie warm en gelukkig bij ’t zien van kinderen, ruwe, onverzorgde kinderen, die-ie tot dien dag met snauwen en wrevel had geduld, omdat-ie bij vernieuwing van personeel vóór alles kinderlooze menschen verlangde.
Zonder de ellendige oogen van den hit, die ’m met spook-gestalten en raaskallende levensvormen omringden, zou-ie nooit ’t kind als ’n volgroeid, harmonisch-voldra-gen droom-mensch gezien hebben.
Nooit had-ie van ’n vrouw — van Georgette allerminst — met ’t verlangen naar ’n kind gehouen — nooit had ie van dat allergrootste en bekoorlijkste geweten — en nu zat-ie met z’n klein, weggeschrompeld lichaam onder de loome, als lawine-storting neer-schuinende palmblaren, naast de als tonnen zoo buikige bloempotten en dekoratief-aangedikte klimop-stengels — en de achttien vorstelijk-reine, heerlijk-rustige mensche-oogen, de oogen met zilverdauw en zachte parel-glansjes, stroomden ’n geluks-sensatie naar ’m uit, ’n ongekende, wonderlijke bevrediging....
103