voeten bedremmelde ze den lap Smyr-naasch bij den koperen bloemenstandaard. ’r Gouden krullen warden de bruine wangen om — ’r handjes beplukten ’t schoone voorschoot, dat moeder ’r haastig had voorgebonden.
— Hoe heet jij? vroeg Joep.
Zonder aan antwoorden te denken, schoot ze met ’n zet achter de even bedremmelde kleuters van den koetsier, die Joep pootige menschen met ernstig-onthutste gezichten toeschenen.
O, wat ’n ontroerende groep vormden ze
— de jongens met bloote beenen — de meisjes met korte rokken en frisch-leuke angst-gezichten!
Met z’n negenen stonden ze hand in hand, tegen mekaar aan-gestevigd, schut bij elkander zoekend, bereid ’n huil-concert in te zetten.
Voor ’t eerst zag-ie echte, onbedorven menschen — menschen zonder herinnering aan 5n verleden, zonder jacht naar ’n toekomst — menschen met de hééle ziel, raak en superbe in de oogen — menschen die bij ’t verder ontwaken, ’t zich aan de groote-ren aanpassen, ’t nabootsen en afkijken — den goddelijken levensdroom verloren.
102