74
Marre (ver/egen). ’k Doe toch me best, mevrouw.
Mevrouw. Dat heeft ze vróéger gedaan, grootmoedertje. U mag ’r heusch ’ns onderhanden nemen. Misschien heeft u meer invloed dan ik! Marre spreekt niét altijd de waarheid, ze wordt onverschillig — ze is nog geen paar dagen geleden voor n eenvoudig boodschapje bij den goudsmid van tweeën tot vijven uitgebleven. Vind ù dat behoorlijk? Als ’t weer gebeurt, en dat heb ’k ’r heel beslist gezegd, wordt ’r onmiddellijk de dienst opgezegd. In ’n nette betrekking komt zoo iets niet te pas. Heb ’k ongelijk? Nee, niet waar?
Koosje. Van tweeë tot vijve? Hei-je zoo lang noodig gehad....
Mevrouw. En laatst — 'k zeg ’t u heel openhartig, omdat u ’r zoo fatsoenlijk uitziet, en omdat u natuurlijk genoeg levenservaring heeft — laatst toen uw kleindochter bezig was, de bibliotheek te stoffen, kwam ’k juist binnen, terwijl ze ’n tête-à-tête had — dat zal u wel niet begrijpen: toen ze ’n beetje ongepast-vertrouwelijk stond te praten — met m’n zoon Edi. (glimlachend) Ik weet wel dat m’n zoon ’n beetje — ondeugend is, maar ’n net dienstmeisje — u heeft toch ook gediend? — ’n net dienstmeisje moet ’r afstand weten te bewaren. Zoo zijn ’r meer