Zaterdag.
Weer Zaterdag. Ik lees tenminste weer. Midden in ’n banale novelle van ’n fransche illustratie, heeft me één zin getroffen.
Jn Verliefde vrouw, ’n Man, die slécht voor ’r is — dat schijnt ’r zoo bij te behooren — alsof góéd zijn alles beteekent. „Gelukkig dat hij me met rust laat,” troost ze zich: „chaque caresse de mon mari serait une trahison envers mon amant-de-coeur. Chaque caresse de mon mari serait une adultère” ...
’k Heb de regels in de illustratie onderstreept.
’s Avonds heeft Eduard ze bij ’t doorblaren gelezen, uitgestuft, omdat ’n circuleerende portefeuille niet beschadigd mag worden.