Vandaag, Zaterdag, is Joosten bij Eduard op bezoek geweest — over „zaken”.
Vreemd — als-ie me niét aankijkt, kijkt-ie tóch.
Ik zat bij ’t raam. Hij redeneerde met Eduard, hield z’n oogen geen moment in mijn richting. En toch... toch...
Welk ’n mysterie in oogen!
Welk ’n mysterie dat niet twéé paar ’t zélfde zijn.
Welk ’n mysterie dat je, wandelend, wandelend tusschen duizenden, schrikt door juist dié.
’k Ga ’t vannacht met chloral probeeren.