136
Wir hatten so manche verzweifelte Schicht,
Und sahen die Sonne doch schimmern...
(De anderen neuriën zacht mee). Stil! Stilte! (Een zwak, verwijderd geklop). Ik hoor — ik hoor geklop ... De berg antwoordt...
Wied. Te laat — te laat, koempels... Van daar uit duurt ’t te lang ... (Het tooneel wordt opnieuw verlicht ’t Kantoor her-schijnt).
DERDE TAFREEL.
TIENDE TOONEEL.
Heil, Baumgarten, Stein, Eerste en Tweede Mijnbestuurder, Eerste en Tweedb Aandeelhouder.
Heil (komt met ’n emmer kolen over de plaats binnen, zet zich op den stoel bij de kachel, neemt suffig brokken kolen in de handen, laat die in den emmer terug vallen, mompelt half-dronken voor zich heen). Ja... Ja... As ik ’t voor ’t zeggen had ... As ik d’r voor most gaan staan... Maar hoe wi-je, hoe wi-je, niewaar, niewaar ? (Speelt opnieuw met de kolen).
Eerste Mijnbestuurder (met allen, behalve met Baumgarten en Stein, binnen tredend). Ja, Tt is ontzaggelijk koud. Zoo’n vorst herinner ’k me haast niet! (Tot Heil bij de kachel). Is hier nog niet gestookt? Wou je daar nou nog mee beginnen?
Heil (den emmer opnemend). Dat komt — dat komt, meneer, omdat, omdat...
Eerste Mijnbestuurder. Ja, ja, ’t is in orde! Nee, nou niet meer! ’k Zal ’r m’n beklag over doen! Maak dat je verdwijnt!
Heil (mummelend). As ze mijn gezeidhadden,maar dat hebben ze niet...
EersteMijnbestuurder (ongeduldig). Ja, ja!...