129
Stein. Mevrouw, wat ’k je bidden mag!
Sylvia. Laat me gaan, Stein! Laat me gaan! Ik ben z’n vrouw 1 Als-ie verdedigd moet worden, als iemand ’t recht heeft ’m te verdedigen, ben ik ’t, ik alleen! Jaag *r ’t kantoor af, papa! Papa, verstaat u niet?
Baumgarten (gebroken opstaand). Ik, ik voel me niet goed, Sylvia — ik sta te klappertanden van koorts en vermoeidheid — ’k heb maar met ’n half oor geluisterd ... Doe wat m’n dochter u vraagt, juffrouw Menzei, en blyf hiernaast by *t personeel — dat heb ’k u straks al gezegd...
Stein (Anne op den schouder kloppend). Kom, kleine Menzei! By zoo’n zenuwtoestand word ’t hard tegen hard... (wenkt haar goedig te gaan — dan tot Moeder Schulz). En als jy wat minder ongepaste uitdrukkingen tegenover iemand, die ook voor een van benee rouwt, gebruikte, zou je fatsoenlyker handelen!
Moeder Schulz, Zij het toch niemand verloren, zy het toch geen femilie ...
Stein (geprikkeld). Dat’s haar zaak en niet de jouwe!
Sylvia (rondkijkend, verwonderd). Is ’t.. . ? Is ’t... (dringend). Eilyf hier, juffrouw! Voor wie, voor wie, voor wie rouwt u?
Anne (bij de deur). Voor — hem. Belet ’t me!
Sylvia (heftig). Papa, als dat mensch nog één stap hier of in ’t dorp verslyt, als ’k in de oogen van die vrouwen, die net zoo zwaar als ik bezocht worden, nog langer gesard, geaffronteerd word ...
Anne (hartstochtelijk), ’k Sar niet, beleedig niet — — je had ’m al verloren — je was *m al kwyt — ’k heb ’m enkel verdedigd, omdat hy (met gebaar naar Baumgarten) die van alles de schuld draagt, z’n mond hield, omdat hy.. .
Baumgarten (verwoed). Wil je onmiddellyk, on-middellyk, onbeschaamde, leugenachtige... Heb ’k niet zelf ’n zoon... ? (Er wordt gefloten. Allen staan onbewegelijk. Er wordt nog eens dringender gefloten).
Stein (bij de gehoorbuis). Ja, Stein! (verrast). Wat