128
wreken, da’k die smerige dirrekteur, die smerige Wied, niet na z’n strot ken vliegen!
S t e i n (terwijl de vrouwen de bruid opheffen). Na, nemen jullie ’r mee... Ze weet niet wat ze ’r uitflapt ... En doe je best, dat ’t bij ’t hek wéér niet tot ’t schandaal van Zaterdagnacht komt... Ik ga na benee.
Vroedvrouw. As ’r water om te sproeien geweest was, as d’r niet heele ploegen zonder ’n straal hadden gezeten...
De Bruid. Bennen ze Zaterdag niet hier wezen klagen ... Het die uitzuiger, die Wied, die loondief, die...
ACHTSTE TOONEEL.
De vorigen, Anne, Sylvia.
Anne (<bevend van opwinding, terwijl Sylvia door de plaatsdeur binnentreedt). ...Dat lieg je, dat lieg je! Dat lieg je zoo laag en zoo laf!... (Tot Stein). ... Zeg je daar niets van...? Laat je dat schepsel tegen meneer die zich niet kan verdedigen, die te goed en te fatsoenlijk was, zoo gemeen, zoo gelogen te keer gaan?
Stein. Juffrouw Menzei, in Godsnaam, de vrouw is gek van verdriet...
Vroedvrouw. En as ze ’t is, as we ’t allemaal bennen, as zij d’r bruigom, ik me man en drie jonges, zij d’r kostwinner, zij ’n zoon en ’n kleinzoon mist, wie het alles gedaan, om ons tegen te werken, wie het de duimschroeven angedraaid, wie, wie, wie?
De Bruid. Die kerel!... Die liederlijke...
Anne (tot Stein) ... Zeg dat ze ’r mond houdt! Ik waarschuw als ze nog één woord...
Moed er Schulz (opgewonden). Wel Allemachtigste, waarschouw jij, jij, die hier as ’n lichtekooi...
Stein. Menschen, menschen.. .
Moeder Schulz (heftig) ... Het ze niet met ’m gehoerd, terwijl onze mannen en jonges...?
Sylvia. Papa! (Dadelijk stilte) Papa, duldt u 'toptreden van, van — die vrouw?