130
zeg je? Geklop? Waar? In de derde laag? Op welke hoogte? Wat? Wat? Duidelijker! Ja, ik kom! (Smijt gehoorbuis neer). God zy gedankt! Leven — leven, in de derde laag! Weg jullie! (Driftig). Weg jullie! Wat duivel, zeg ’t de anderen, maar weg! (de vrouwen gaan).
Baumgarten. Ik ga mee!
Sylvia. Wij gaan mee!
S t e i n. Waanzin, meneer! Nee, mevrouw! Al wordt ’r, Goddank, geklopt, dan zijn we ’r misschien, misschien nog in geen dagen !...
Baumgarten (hem met Sylvia achterna). Stein — Stein, je houdt me met geen geweld... Als jy ... als jij . .. (Men ziet hen gehaast over de plaats gaan)
Anne (staat houdingloos tegen den deurpost geleund, vouwt de handen, snikt).... Moeder, Maria... Moeder Maria.. . (Het tooneel wordt volslagen donker. De handeling gaat onderbroken voort)
TWEEDE TAFEEEL.
NEGENDE TOONEEL.
Wied, Mathieu, Schulz, Hadwig, Wiener, Spiess, Rudolf, Schenk., Matansku, Paardendrijver, Eerste, Tweede stem-in-het-donker.
(Er •weerklinkt langzaam, monotoon geklop.)
Eerste stem-in-het-donker. Al klop je tot ’t uur van je dood — net as ’k Zaterdag zee — d’r uitkloppen doe ’k ons niet! Me arm is d’r lam by geworden — Jk zie vuur voor me oogen...
Mathieu. Rust dan wat uit, kameraad. Om ’t kwartier, is ’tgenoeg. Suscht, jongens! ’k Zal even de klok laten slaan. (Het horloge slaat negen.) Een, twee, drie, vier, vyf, zes — olala! — zeven — olala! — acht* negen ! Olala, van streek. Kan niet. Voor ’n kwartier heeft-ie toch...