120
te houen, met geen goeie en met geen kwaje woorden ...
S t e i n (terwijl Baumgarten voor niets intresse toont). U heeft toch versterking gekregen, wachtmeester I Dat is dan toch uw zaak...
Gendarme (ernstig). Dat is ook myn zaak, maar me kameraads en ik hebben geen lust, om by vrouws-volk — van de wapens gebruik te maken. (Een stilte).
Stein. Enkel vrouwen?
Gendarme. Enkel. Meneer weet hoe weinig mannen d’r in de kolonie zyn overgebleven. Van de wapens gebruik maken, kennen we niet en doene we niet. Schandaal in de kranten was ’r zat. Menschelyk is menschelyk. As d’r morgen zooveel, waarvan je de van niet weet, in één graf gelajen worden, kè-je ze d’r niet van af houen ...
Stein. Dan loop ’k zelf mee naar ’t hek.
Gendarme. Ken ’k meneer niet anrajen I D’r zyn d’r (ruw-goedig) plentie by, die zich ’n styve nek hebben gezopen... As ze niet allemaal binnen maggen, willen ze ’n soort depetatie ... As de heeren daar ’n beslissing op willen nemen ... ?
Stein (tot Baumgarten). Wat denkt u, meneer? De overheid heeft ’t wel verbojen, maar als de stemming zoo opgewonden is ...
Baumgarten. Doe alsof ’k ’r niet ben, Stein! ’k Laat ’t aan jou over ...
Stein (in aarzelend nadenken). Goed, wachtmeester. Maar hoogstens vier.
Gendarme. Accoord, meneer.
Stein (hem terugroepend). En hier, op ’t directie-bureau.
Gendarme. Accoord, meneer. (Bij de deur). En as ’k nog vragen mag: hoe mot ’t tusschen de pastoor en de dominee?
Stein. Begryp je niet, wachtmeester.
Gendarme. Mot ’r by iedere kist door de pastoor èn door de dominee de zegen worden uitgesproken?
Stein (moeilijk). Dat zal wel, wachtmeester, dat’s tenminste in deze streek de gewoonte, als men aan de identiteit twijfelt.