117
Banmgarten. Zoo. Zoo. En als ’r... ?
S t e i n. Dan waren ze me komen waarschuwen. Nee, meneer.
Baumgarten (nerveus-rookend). Zoo. Zoo. Vraag in ieder geval 5ns!
Stein (neemt een der fluit-mondstukken, informeert). Hallo! Ja, met Stein. Is ’r in de laatste uren niets gebeurd? Nee? Wordt ’r nergens op geklop geantwoord, nergens? Zoo. Dacht ’k wel. Dank je. (Legt mondstuk neer). Nee, meneer, Niets voor- en niets achteruit. Alles by *t zelfde, ’t Vuur in de tweede laag is afgedamd — in de derde smeult ’t nog, en daar was vannacht ook nog ’n zwakke explosie ...
Baumgarten (geprikkeld opstaand). Heeft u de reddingsmanschappen de premie beloofd?
Stein (aarzelend). Nee, meneer.
Baumgarten (opvliegend). Nee, meneer? Nee, meneer? Wie heeft ’r hier nee-te-meneeren ?
Stein (kalm). Ik, meneer, zoolang ik de verantwoordelijkheid voor de berging draag!
Baumgarten. Als ik ’n premie van dat bedrag voor m’n eenigen zoon uitloof...
Stein (hem rustig in de rede vallend).... Dan mag ik dat niet, nee meneer!, aan de koempels, die nou al drie nachten en byna drie dagen d’r leven voor d’r kameraden wagen, en haast zonder uitzondering ’n broer of ’n vader of ’n zoon of ’n vriend zoeken, overbrengen!..
Baumgarten (drukt op een electrische schel). Best, meneer. Dan zal ’k mezelf helpen!
Stein. Meneer Baumgarten, u is nerveus, zooals we ’t allemaal zyn, maar in Godsnaam, man, doe ’t niet!
Baumgarten (bij de schel, droogt z'n oogen). 'k Wil m’n zoon, m’n Mathieu, dood of levend...
Stein. U is niet de eenige, meneer... Gelooft u me — ’k ben twintig, dertig jaar in ’tvak! — zoo’n premie op dit oogenblik, zou ’n onberekenbaar kwaad bloed zetten... En ’r is toch al in ’t bekken ’n wrok, waar je niet tegen op kan werken...
Baumgarten (wenkt den kantoorklerk, die in de