115
’k ga daalijk weer in ’t gat... Als je dat in aanmerking neemt, niewaar . .. ? (Blijft bij haar staren houdingloos
staan) Heb-ie — véél van ’m gehouen?... Was ’t —
was 't... ? Nee, mag *k niet vragen! (Speelt met de bloemen in de vaas). Had je die uit de stad voor ’m mee gebracht? (Zij tracht krampachtig haar tranen te bedwingen). Huil gerust, juffrouw Menzei... ’k Was z’n eenige, echte, ouwe vriend — ’k heb zelf in ’t donker benee loopen grienen, maar dat in de barak, als vrouw alleen, by al die wanhopige kadavers, die we zonder penning niet thuis kunnen brengen, had je niet moeten doen ... Nee.
Anne (smartelijk). Nee, had ’k niet moeten doen — 'k raak die gezichten ook nooit meer kwyt — ’k zie ze inplaats dat ik hèm zie — ’k word ’r gek onder...
Stein. Blyf dan niet hier, kleine Menzei 1 Wat heb je ’r aan naar dien leegen stoel te kijken?
Anne. Hier of ergens anders — in de heele kolonie staan leege stoelen ...
DERDE TOONEEL.
De vorigen, Kantoorklerk.
Kantoorklerk. Of meneer Stein ’n oogenblik heeft ?
Stein. Voor wie? Waarvoor?
Kantoorklerk. Twee verslaggevers, meneer — en ’n — en 'n photograaf...
Stein (verwoed). Wel wat duivel, nee! Is ’t hier *n kykspel? Ben je betoeterd? Kunnen jullie daar op 't kantoor niet zelf ’t antwoord op geven?
Kantoorklerk (aarzelend). De chef zeit dat ’t voor de publieke opinie ...
Stein. Naar de weerlicht met je chef en met je publieke opinie! Nee, nee en nog ’ns nee. (Kantoorklerkaf).