113
Machinist... De telefoon is geen bewijs, meneer... ’k Hè-’t in ’98 gehad in de Koninklijke, dat de rem % as ’n paard in de wei, verdomde, dat de bak met zoo’n schok tegen de buffer holde, dat de kabel ’n scheur kreeg, en da-ze benee met z’n veertigen in ’t moeras gewoon-weg krepeerden, en — en, net as Zaterdag géén telefoon!... Je mag nóg van geluk spreken, da-we de bakken om negen uur los hadden! En as ’t in de derde laag niet gebrand had ...
S t e i n. In de derde en in de tweede ...
Machinist. ... Was ’t niet zoo’n gruwel geworden, meneer!...
S t e i n. Is 'r in de laatste uren nog wat na boven gehaald?
Machinist. De Lorrelei, meneer.
S t e i n. De wat ?
Machinist. De hengst uit de tweede laag — zoo’n opgezwollen pens — zulke pooten — en, en z’n oogen leeën d’r haast uit...
S t e i n (naar Anne omkijkend, die de vingers in de ooren gestopt heeft). Na! Dank je! . . . (Wenkt hem heen te gaan).
Machinist. As meneer nog wat weten wil van de rol... ?
S t e i n. Nee, dank je ! ’t Is in orde (Machinist af). Juffrouw Menzei... (Zij hoort hem niet, luider). Juffrouw! (Zij schrikt). ... Als ’r toch niet te werken valt, als alles gedwongen stil staat, waarom blijft u dan daar... ?
Anne (papieren bij mekaar scharrelend). Waarom ’k ... ? ’k Heb te werken, 'k heb nog zoo’n massa ... nog van meneer en van meneer Baumgarten ... (Steekt ’n vel papier in de machine, begint willoos te tikken).
S t e i n. Laat u dat...
Anne (toonloos). Laten ?
S t e i n. Ja.
Anne. ’k Moet nog an de firma Steinmetz ...
S t e i n (haar wederom scherp aanziend, terwijl zij wezenloos door 't venster staart). Wie is ’t, als ’k vragen mag? (Zij haalt de schouders op). Is-ie veronge