108
G r e t e ... Ik ken niet moeder... Ik ken geen stap meer...
Moeder Schulz. Je ken, as je wil! (Heftig). Je mot as je wil! Hang niet as ’n last an me lijf! Kom dan! Kom dan!
G r e t e. Ik ken niet, moeder... Be kou, de kou en de schrik — hebben me beenen verlamd!
Moeder Schulz (schreiend). Dan ga 'k alleen ... Ban mot je jezelf maar helpen... Ban mot Heil je maar... Heil, Heil, breng jy me dochter na de kinderen — ik mot, mot d’r bij zijn — bjj Fritz en bij
Rudolf... Bie jongen, die ongelukkige jongen... (Hijgend af).
Heil. Steek dan je arm door de mijne, vrouw
Schulz ... Langzaam dan maar...
G r e t e. Ken niet... Ken niet... (Wijst naar de bevroren zoodent waar de vrouwen op gezeten hebben). ... As je zoo vrindelijk wil zyn, Heil, om me daar ’n oogenblikkie te laten rusten ... Ja, daar ... Bank-ie ...
Heil. Biji je blijven ken ’k niet! ’k Mot ’r ook...
G r e t e. Da’s goed, Heil... Das heel best, Heil...
Heil. 'k Haal je wel af! Tot strakkies! (Af).
S t e i n (die gedurende dit laatste met den gendarme achter het toegangshek heeft staan praten, komt op-nieuw naar buiten). . . . Kan ’k je met wat van
dienst zijn, vrouw Schulz? (Zij schudt ontkennend het hoofd). Sta dan op — ’t is geen weer, om zoo dun aangekleed...
G r e t e. Hè-’t zoo schrikkelijk hier... (Wrijft zich over de knieën) — pas bevallen — pas bevallen — en dan, dan ...
S y 1 v i a (gejaagd van rechts). Stein! Stein!
S t e i n (verschrikt). Mevrouw Wied...
Sylvia. Stein, in naam van de kinderen...
Stein (houdingloos). ’t Is ontzettend, afschuwelijk, mevrouw ... ’r Zijn nog over de vier honderd — benejen.
Sylvia (verstard). En — en — George ? (Hij zwijgt) Is George ... ? (Hij zwijgt. Zij begint te kermen, krimpt tegen hem op).