109
S t e i n. Mevrouw !
Sylvia (pogend zich te bedwingen). Stein, Stein, we zijn met kwestie van mekaar gegaan!
Stein (troostend). Mevrouw ! Mevrouw! Doe ’t hek open, wachtmeester ... Hier kunnen we moeilijk ... ’k Heb u door de telefoon wat voorgelogen, omdat ’k zelf hoopte ... ’k Dorst u niet, dorst niet... Kom! Ferm! ’r Wordt nacht en dag door ge werkt... (Tot Anne die van het emplacement komend, wezenloos in de opening van het hek staat). Zou u even voor de vrouw van den directeur op zij willen gaan, juffrouw Men-zel...? Moet u dat op dit oogenblik gezegd worden? (Anne wijkt suf terzij. Hij leidt de snikkende Sylvia naar binnen. De gendarme sluit het hek).
VEERTIENDE TOONEEL.
Anne, Grete, De gendarme.
Gendarme. Zijn ’r nóg meer dooien bij gekom-men, juffrouw?
Anne (afwezig). ... Weet 'k niet.
Gendarme. Uis toch van ’t kantoor?
Anne. Ik ? Dat zal wel... Ja... ’k Zal nog is gaan hooren... Is zoo de weg na de lift... ?
Gendarme. Na de lift...? Bè-je dronken of hoe hè-’k ’t met je ... ? Zoo loop-ie ommers na de kelonie ...! Mo'k ’t hek weer voor je open sluiten ...?
Anne. Ja. Asjeblief. As daar de lift is... Dat komt: ’k ben zoo moe, zoo moe... Hééle dag — heele dag an één stuk door gewerkt, gewerkt... (Hij ontsluit het hek, gaat met haar binnen, terwijl de twee lakeien gelijktijdig naar buiten komen). Dank u ... Dank u wel. Ja — daar waar de vlammen uit de schoorsteen... Dank u... Dank u wel...