107
Moeder S c h u 1 z. Meneer Stein ... Meneer Stein — bij de zaligmakende Verlosser... (Grete zakt met *n gil ineen). . . . Grete!... Grete, kind!... (Heftig). ... Da s nou toch jóuw schuld! Da’s toch meer as schandalig!... As je ons niet tegenhieuw, meneer ... Motten we bedelen om de mannen en jonges? ... Hè-’k ’r niet genoeg kwijt geraakt ?... Mo k me laatste zoon en me kleinzoon... ? (Woest). ... Zijn we ’n kudde schapen?... Motten we hier blijven blauwbekken en onze kelen uitschreeuwen ? (Rukt Grete op). ... Sta op Grete!... As we daar dan niet door maggen, loopen we de spoorbaan over!... Da’s Godgeklaagd! Da’s beestig! Uitje bedden opvliegen en werom te worden gestuurd...
DERTIENDE TOONEEL.
De vorigen. Heil, later Sylvie, Anne.
Heil (door de menigte dringend). Gelijk het ze!... Meer as tachentig dooien, meer as tachentig hè-’k in de loods zien leggen! Laat ze d’r, gedorie, bü! Van wie zijn ze, van jou of van hullie? Mot je nog baas over de lijken spelen!...
Stein. Heil, ’k doe m’n plicht! Vrouwen, nog eens in Godsnaam, wat naar boven gebracht is, is niet te herkennen!
Vroedvrouw. Niet te herkennen! Niet, niet, niet te herkennen... ?
De Bruid. En, en — me, me vent...?
Heil. Gaan jullie de spoorbaan over, wijven! Laat je niet lijmen, wijven! (Geroep: „Na de Spoorbaan!” De vrouwen hollen links af).
De Bruid (razend tot Stein). As ’k ’m niet vind, as ’k me vent niet vind — doe ’k ’n moord!... Dan, dan ... Ellendelingen!... Gemeene, gemeene ...
Vroedvrouw. Dan hoor-ie van ons!... Dan onthou je je uur!... (Af met de bruid).
Moeder Schulz. Kom nou, Grete! Kom nou!... We gaan toch samen...