114
Ossip. Ik ben voor de dèrde maal verliefd,
zeg! (kust nog ecns). . . . Je raadt nooit op wiè!
I d a.... Ik hou niet van raaien — ’k heb
slaap. Dag!
Ossip (bekijkt het portret nog even, hangt het op, gaat met de lamp naar de ivaschtafel, ziet dat de waterkan leeg is, komt met de lamp en de kan van de zolderkamer op de zolder).
Ida (opschrikkend). Wat spook jij toch!
Ossip. Ik wou zoo graag m’n handen was-
sehen — en er is geen druppel water. . ..
I d a. Mensch, ga toch slapen ! Na benejen hoef je niet te gaan — alle deuren zijn op slot.
Ossip. Jammer, (keert met lamp en kan terug, draait het licht een weinig af, legt zich op ’tbed. Een stilte). Zeg — slaap je?
Ida. Als je je mond niet houdt, ga’k bij de vliegmachines op ’t plat liggen.
Ossip. Ik vind praten in bed zoo heerlijk — en ik mag ’t nooit. ...
Ida. Ach!
Ossip. (Een stilte) Zeg — als ik ooit met vliegen ’n ongeluk krijg, wil ik als m’n grootvader verbrand worden — en jij ?