133
op jou — huil niet, huil niet. Bij ’t graf van ons kind doen we ’n nieuwe blijde gelofte.
Nansen (die voor 9t venster heeft gestaan, met den rug naar hen toe).... ’n Gelofte ?
De man. ’n Gelofte....
Rita. ’n Gelofte____
De man (zjn arm om haar middel). We gaan, meneer de pastoor — ’n anderen weg dan u straks zult gaan____
Rita. Maar we hopen u te ontmoeten.
Nansen. Nee.
De man. We hébben u al ontmoet.
Nansen {heftig). Dat heeft u niét!
Rita. Misschien, misschien komt ü tot óns.
Nansen. Nee!
De man. Misschien.
Rita (haar beide handen uitstekend'). Ik dank u (aarzelend neemt hij haar handeri). Ik heb u veel verdriet bezorgd — ik dank u.
Nansen (het crucifix aanwijzend): Dank Hém,