i3i
en maanden op zee verlangd heb — {Staat op, kijkt door het venster). Wat doet ze — watknièlt ze? — Wat doet die priester?
Pleegzuster. ’k Geloof dat ze bloemen op ’t graf planten.
De man. Is daar ’t kerkhof?
Pleegzuster. Nee. ’t Kerkhof is achter den muur. Uw kind ligt in óngewijden grond.
De man {bitter-glimlachend). En helpt ’n prièster daar?
Pleegzuster. Die priester is geschorst.
De man. Om mijn vrouw? [zijknikt). Dan is die man ’n ménsch van wien wij kunnen houen. — Hij èn wij zijn niet te schorsen! {duwt het venster open) Rita! Rita! {een vreugdekreet).
Pleegzuster. Wil u uw vrouw groeten ? Mijn taak is afgeloopen.
De man. Heeft ü haar verpleegd?
Pleegzuster. Jawel. Anderen wachten.
De man. Ze komt — blijf even — dan kan ze u zelf danken.