130
De man. M’n vróuw moet hier zijn.
Pleegzuster. Uw vrouw? U is in de pastorie.
De man. In de pastorie hebben ze me gezegd — m’n vrouw — Rita ....
Pleegzuster. Is u ? . ...
De man. ’k Zou ’r treffen bij m’n moeder, vond ’r niet, omdat m’n moeder overleden is. In ’t dorp hoorde ’k van alle kanten, langs den weg en in de herberg waar ik uitrustte, dat.... Hebben zij die ruit ingesmeten ? (de zuster knikt) Natuurlijk! Wij hebben al héél wat steenen gekregen, zooals jullie vróéger. De lafbekken. Als ik ’r geweest was met m’n jonge armen, had ’k ruimte gemaakt. 7k Ben nog niet te laat. — M’n vrouw, waar is ze?
Pleegzuster. U heeft in 't dorp toch gehoord?.... Daar — (wtjst in de richting van het kerkhof).
De man. Daar? Wat doet ze bij dien muur?
Pleegzuster. Wéét u niet dat ’t kindje gestorven is?
De man (ineenkrimpend). 9t Kind.... Is ons kind ?.... (zit geslagen neer) Dat wist ’k niet — omdat zij ’t niet wisten. — Dat zijn twéé dooden — een met grijze haren — een waarnaar ’k maanden