I 26
Nansen. Dan heb ’k niets meer te zeggen. — Vaarwel, Rita.
Rita. Vaarwel? Gaat u heen?
Nansen. Ik ga heen — heen uit deze plaats — en als jij verder trekt met ’n zwaar hart over je verlies, je aardsch verlies — ga ik met ’n dubbele mismoedigheid om de menschen hier — èn om jou — zij, ’t koninkrijk der hemelen, terwijl ze de liefde, de liefde zooals onze Heiland ze zoo allerhéérlijkst gepredikt heeft, tot ’n gluipenden judas, ’n aanbidding van ?t gouden kalf hebben verminkt! — jij, ’t koninkrijk der aarde, der aarde zonder dageraad!
Rita. Elke dag heeft *n dageraad.
Nansen. Die van vandaag voor jou, dan toch niet! — Vaarwel. — En neem nog één goeden raad. Laat je kindje begraven.
Rita. Ik kan ’t nog niet missen.
Nansen. Je mist ’t al.
Rita (de handen wringend). Ik kan ’tniet missen, niet missen!
Nansen. Mag ik ’t doen, Rita! Als ’t laatste wat ’k voor je doen kan?