124
Rita. ’k Heb niét gebeden, geen oogenblik.
Nansen. Niet gebeden ? En de zuster heeft me gezegd....
Rita (schudt het hoofd) Je kan niet bidden,
niet bidden, als je in donker tast, als je nergens houvast heb, enkel je kind ziet, ’t kind dat je twee weken geleden in smarten ontving om ’t in smarten weer af te staan. Bidden tot wie? — tot wat? — waar om? ’k Ben ’t kwijt, kwijt. Jouw machtige God neemt, heeft nooit teruggegeven!
Nansen. Ik dacht, ik hóópte, datje voor ’t zieltje gebeden had.
Rita. Nee.
Nansen. Omdat ’t ook gister féést-dag was, niet waar ? 9r Ziele-heil....
Rita. Zieleheil — zieleheil — dat kind had nog geen ziel — en als 9t ’r een had — wié heeft 9r vreugde van? Zieleheil van wat niet meer is, niet meer is!.... [stijgend in wanhoop) Een avond, 9n halven nacht, heb ’k de oogjes geopend gezien, de lipjes hooren ademen — dat was — dat bestond — dat zag ’k, hóórde ’k, zooals ’k de tafel zie, ’t licht zie, de branding hoor — twéé dagen, één nacht, heb ’k ’t lijkje betast, in z’n kou, z’n onbewogenheid — dat ’s zichtbaar — zichtbaar,