Jacob. Ik kijk na de brooje----
Jan. Mag-ie niet. Ooge toe! Allemaal! As ’k drie zeg, mag-ie ze open doen! Eene — tweeje — drieje!... (heeft een geel-groene ster uit de la gegrepen). Die is voor vader z’n takels____
Bet (na een aangehouden dnbèwègelijke stilte van allen). Jan — me lieve jongen — hoe kom je daar an?
Jan. Ben met de zwaan weze vliege — geplukt op drie meter van de maan____
Bet. Jan — me lieve jongen — je mag niet neme wat van God-de-Heer is____
Jacob. Sterre benne vrij (langzaam voor zich uit starend).... Sterre benne vrij.... Je mag geen appele plukke — geen pere — geen bloeme — sterre benne vrij — sterre benne vrij....
Bet. Jan — me lieve jongen — de sterre benne van God-de-Heer — die het-ie buiten ons bereik gesteld — daar magge me niet na taste----
Jacob. As me niks hebbe, magge me dat!...
Thijs. Daar ben ’k angstig van — daar doen ’k me ooge bij toe....
Aaltje. Jan, bran je vingers niet____
Jan. Nou dan, vader!... Neem je ’m niet?
Thijs. Nee Zal ’k, moeder?
Bet. Jan — me lieve jongen — je het 'r geen geve over (smartelijk-angstig). Jan, ik hei al zoo’n boel
89