Aaltje, ’k Hei d’r nog nooit zoo’n berg gezien!
Jacob. Drie en zestig Hoe hou je ze goed?
Sien. Waar mot ik nou gaan slape?----
Jan (bij de tafel). En je schoene benne gebracht vader----
Thijs. Me schoene? (tot den schoenlapper). Zoo zónder cente ?
Schoenlapper. Jan het betaald, (zij draaien zich allen naar Jan, staande dicht tezaam, Bet met haar kerkboek, Thijs met zijn takel, Lammersen met de harmonica, Aaltje met het pak quitanties, Jacob met het groote mes).
Bet (glimlachend). Betaald?____
Jacob. Betaald?____
Thijs. Jan, Jan — hoe kom-ie an geld! Jan, Jan,
as je ons in ongelegenheid brengt!... Jan, Jan, as ’t maar zuiver spul is!...
Jan. Hou je ooge is dicht, moeder____
Bet. Goed, jongen.
Jan. En jij ook, vader____
Thijs. Ik doen ’t al____
Jan. Juillie ook!...
Lammersen. Me ooge dicht ?... Een of twee ?
Jan. Allebei Zoo. Nou motte juillie niet schrikke____
Jij doet valsch, Jacob!... Jij kijkt stiekem!
88