Bakker (de trap op-wijkend). As jij steekt, steek ik dubbel — al trek je tien messe, ben ’k nog niet bang —
niet voor ’n dozijn zooas jij ’k Neem d’r getuige
op Jij het ’t gezien schoenfrik — en jij Lammer-
sen — en jij zwaan....
De Zwaan. Ik ben beneje de jare....
Bakker. Je ken ’t allemaal beëedige van de goud-vissche enne de drie en zestig brooje enne van ’t mes dat-ie voor me neus het gehoue.... Ik haal ’n diender. ... Met de gevangeniswage kom ’k voor je deur! (angstig af).
Zevende Tooneel.
Zwaan, Jan, Schoenlapper, Jacob, Sien, Thijs, Bet, Aaltje, Lammersen.
Bet. De schrik zit in me beene.
Aaltje. Ik ken geen voet verzette....
Jacob. Hij hèt hier niks mee te neme. Wat wou-ie? (kijkt door den gordijnkier der bedstee). Ik vraag wat-ie (schrikt achteruit).
Bet (angstig). Wat zie je dan ? (zij, Thijs, Aaltje, Lammersen en Sien schuifelen naar Jacob, staren dicht bij de bedstee, glimlachen verbaasd). Drie en zestig brooje....
Thijs. Drie en zestig----
Lammersen. Je ken ’n bakkerij beginne----
87