Bet. Me lippe ziene d’r wit van ... Wat was dat, Jan ? ...
Bakker. Wat ’t was?... Wat ’t was?... Me kar met
brood leeghale Me goudvissche stele!... Valsche
diamante in me poote stoppe Ik mot me brooje
terug!... Me brooje uit de bedstee! Ik mot me cente! (schiet op het raam toe, springt op Jan’s bed, roept:) Politie!... Politie!...
De Zwaan (nijdig met de vlerken slaand). Ik ken getuige
da-je ’m over je knie het gebroke Daar kenne ze
niet tegen....
Bakker. Dan neem ’k met geweld! (holt op de bedstee toe).
Zesde Tooneel.
De voriqen, Jacob.
Jacob (die de trap af is gekomen — den bakker bij de bedstee werend). Hande thuis!
Bakker. Opzij of____
Jacob. Of wat?...
Bakker. Of ’k bega ’n ongeluk!...
Jacob (een groot slagersmes trekkend). Dat zelle me afwachte____
Bet. Jacob!... Jacob!...
De Zwaan. Jacob, Jacob: met wil of met werken sla niemand dood____
86